Wat is 'geloven'?
Zusters en broeders,
Geloven we er nog in? In de wederkomst van Christus? Ooit dachten de vroegste volgelingen van Jezus dat het ieder moment kon aanbreken. Maar wachten we niet inmiddels al héél lang? Geloven we er nog in? Maar wat bedoelen we dan precies als we het over ‘geloven’ hebben? Betekent geloven ‘dat iets zo is’, of betekent geloven misschien méér dat ‘iets kan zijn’? Gaat het daarmee niet zozeer om een beschrijving, maar om een belofte, een verwachting. Drukt het eerder vertrouwen en verlangen uit, dan onbetwistbare standen van zaken.
Die onbetwistbare standen van zaken bleken heel vaak toch niet zo onbetwistbaar, en hebben aanleiding tot twijfel gegeven; zo zeker weten we het dan allemaal niet meer. En we kunnen dat als twijfel en geloofsafval ervaren. ‘Deinzen’ we terug voor de waarheden van Christus, zoals de brief aan de Hebreeën schrijft? En moeten we vaststellen dat het geloof aan het verdwijnen is?
Heeft het daar niet alle schijn van? Honderd jaar geleden bestonden er vrijwel geen ongelovigen, nu zij ze onderhand in de meerderheid. Vaak buiten, maar ook wel binnen de kerk; en sommigen van ons rekenen zich er toe; -sommigen die wat voorzichtig zijn om zichzelf ‘gelovig’ te noemen. Of die anderen ‘veel geloviger’ vinden dan zichzelf. Die daarmee een soort slag om de arm houden en wat geloof betreft in ieder geval niet de zonde van de hoogmoed begaan. Maar zou dat dan om een persoonlijk tekort-komen of -schieten gaan; of zou het de vraag zijn wat er precies met ‘geloven’ wordt bedoeld? En is wellicht een zekere religieuze bescheidenheid juist op zijn plaats, en prijzenswaardig.
Er zíjn immers wel degelijk mensen die hun eigen geloof geweldig vinden en volop van de daken schreeuwen. Niet zelden inclusief de wederkomst van Christus. Die mensen passen er niet alleen hun vakanties op aan, maar kunnen hun hele leven ernaar inrichten. Kunnen ook hun politieke inzichten er door laten bepalen. En dat kán zorgelijk worden wanneer die mensen aan politieke touwtjes kunnen trekken en tot de beslissers van de wereld behoren. Want soms kunnen die mensen het idee hebben dat ze de wederkomst van Christus kunnen bespoedigen, als ze het werk van God wat helpen uit te voeren. Die mensen menen precies te weten wat God wil, en denken daarom ook namens God te kunnen handelen. Ze denken hun overtuigingen aan andersdenkenden te kunnen opleggen, eventueel met geweld te moeten bevechten. En als dat slachtoffers kost, dan is dat óók de wil van God. Want het koninkrijk van God komt tegen de verdrukking in!
Zo staat het einde der tijden immers beschreven: er zal grote verdrukking zijn en al het oude zal verdwijnen. Pas dan ken het nieuwe komen en het koninkrijk van God aanbreken. Maar dat kan dan misschien ook andersom: misschien moet de oude wereld eerst worden vernietigd om plek te maken voor het nieuwe? In de jaren ’80 was er een Amerikaanse pressiegroep die om deze reden de kernwapenarsenalen wilden vullen. Als de wereld door vuur zou worden verwoest, dan moest er ook brandstof zijn. En daar konden kernwapens dus goede diensten bewijzen. Het ontbrak er nog maar aan dat ze de oorlog ontketenden. Maar in onze tijd is er wel een oorlog ontketend, door mensen die er verwante ideeën op na houden. Die de huidige strijd in het Midden-Oosten als een voorpoefje, misschien als een voorbode of eerste offensief, van Gods heilsplan zien.
Dat is angstwekkend. Maar het is ook ronduit fout. En dat hééft te maken met wat ‘geloven’ betekent. En met de vraag wie er goede, betere of beste gelovigen zijn. En dat zijn in ieder geval niet de mensen die publiekelijk tegen hun vijanden bidden, al of niet met woorden die Bijbels zijn, of uit een film zijn opgepikt. Mensen die zich tooien met christelijke symbolen en hun vrome praat gráág opnemen en op internet zetten. Mensen die met hun ferme taal pal lijken te staan voor het geloof, maar in feite het geloof gebruiken om zichzelf naar voren te drukken. Dan gaat het niet om gehoorzaamheid maar om zeggenschap; gaat het niet om bescheidenheid maar om macht. En bij uitstek is dat vloeken in de kerk; wanneer niet de wil van God wordt gezocht, maar onze wil met God wordt getooid. Laten we niet denken dat deze mensen ‘erg christelijk’, of nog erger: ‘erg gelovig’ zijn, want dan leveren we het christendom uit aan een radicale maar ketterse manier van denken, die niet de geboden Gods volgen, maar Hem ontrouw zijn. En die niet de wederkomst zullen bespoedigen, maar de ondergang van de wereld zullen bewerkstelligen. En dat is niet goed gelovig.
Maar dat zeggen zíj toch ongetwijfeld ook van ons? Dat zei de omgeving van de vroegste christelijke bekeerlingen. Want dat was voor de joodse omgeving maar een gevaarlijke nieuwlichterij. De moeizame worsteling waar de tekst het over heeft, de publiekelijk smaad en verdrukking gaan niet over de Romeinse christenvervolgingen, want daarvan is nog lang geen sprake. Het zijn spanningen binnen de joodse context. Ook toen was de vraag wat goed en wat slecht geloven was. Was het de vraag of Jezus daar als Messias een rol in speelde, of dat Hij maar een aanmatigende bedrieger was. Daarover verschilden de meningen.
Daarover verschillen de meningen. Het is toch maar hoe je er tegen aan kijkt? En is dat niet juist één van de onderliggende redenen waarom het geloof de afgelopen eeuw zo heeft ingeleverd? Want je kan er alles van maken, en dan heeft het niets meer te zeggen? Waarom zouden we ons er dan mee bezig houden? Zouden we voor die onzin niet liever terugdeinzen?
Maar dan zouden we ook de zegeningen van het geloof verliezen. Zegeningen die we ons niet hoeven toe te eigenen, maar die we krijgen mogen. Wat ‘geloven’ betekent, speelt een belangrijke rol. Want geloven is niet een soort hemels spoorboekje waar je als mensen op zou kunnen voorsorteren, en waarvan jíj de route kent maar alle andersdenkenden niet. Geloven is niet dat de wil van God samenvalt met die van jou, en jij dus een soort ridder-voor-God bent als je tegen een andere godsdienst ten strijde trekt. Geloven is in de allereerste plaats: vertrouwen. Is ‘de zekerheid dat alles waarop we hopen werkelijkheid wordt.’ Dat heeft met hoop te maken, die ons op de been kan houden als we aan wanhoop dreigen te bezwijken. Wanhopig zou je er van worden als je sommigen ‘christenen’ hoort blazen. Ik kan heel wat seculariteit verdragen en van spot raak ik niet snel uit balans, maar als ik hoor hoe huidige oorlogen soms ‘christelijk’ worden onderbouwd, dan zinkt de moed mij soms in de schoenen. Dan lijkt het christendom onderdeel van een cynische politiek waar je liever onverschillig van wordt dan medeplichtig. En dan geef je het op, -en geef je de zelfzucht vrij spel. Geloof is de zekerheid dat alles waarop we hopen werkelijkheid wordt, en dat het dáárom zin heeft om je er voor in te zetten.
En dat vereist ‘de overtuiging van de waarheid die we niet zien’. Dat is niet een waarheid die nog komen moet. Dat is een waarheid die er al is, die we niet zien maar waar we wel van overtuigd mogen zijn. Dat is niet een waarheid die we bewijzen moeten, of waar we pal voor moeten staan. Het is niet een waarheid die verloren kan gaan en die we moeten verdedigen. Want het is de waarheid dat we uit de liefde van Christus mogen leven. Een waarheid die we aanvaarden mogen. Een waarheid die over vertrouwen gaat, en niet over beheersbare kennis. Die waarheid is er ‘al reeds.’ Wat er ‘nog niet’ is, is de ernst die wíj van de navolging van Christus maken.
Want dáár gaat het om, als we op de wederkomst wachten. Het is niet afwachten tot het Koninkrijk van God aanbreekt. Het is de vraag of wij de Heerschappij van God erkennen. Als we over Koninkrijk spreken is het net of het aan ons moet gebeuren. Dan staat het buiten ons, en is het al eeuwenlang de vraag of het ‘nog eens wat wordt’. Maar als we over Heerschappij spreken, dan is het vraag of wij het gezag van God erkennen, aanvaarden en er naar willen handelen. De ‘majesteit van God’ gaat dan niet om een afgedwongen Koninkrijk, maar is een uitnodiging om Gods Heerschappij gestalte te geven. Dat doen we als ons door de Geest van Liefde laten leiden. Dan maken we de opdracht van Christus waar en vormen we het lichaam van Christus. En waar dat gebeurt, daar is God present. Steeds weer waar de liefde van God wordt waargemaakt, ís Hij wedergekomen.
Amen
Deel deze preek
Ezechiel 39, 21-29
Ik zal mijn majesteit onder alle volken doen gelden. Ze zullen zien hoe Ik ze straf en hoe Ik ze mijn wil opleg. Vanaf die dag zal het volk van Israël beseffen dat Ik, de HEER, hun God ben, en de andere volken zullen beseffen dat de Israëlieten zelf aan hun ballingschap schuldig zijn. Omdat ze Mij ontrouw waren verborg Ik mijn gelaat voor hen. Ik leverde hen aan hun vijanden uit, en zij vielen door het zwaard. Ik heb hen behandeld zoals past bij hun onreinheid en hun misdaden, Ik heb me van hen afgewend. Maar – dit zegt God, de HEER: Nu zal Ik Jakobs lot ten goede keren, me ontfermen over heel het volk van Israël en strijden voor mijn heilige naam. Hun schande en ontrouw aan Mij moeten ze dragen, ook wanneer ze weer onbezorgd in hun land wonen, door niemand opgeschrikt. Door hen weg te halen bij de vreemde volken, door hen bijeen te brengen uit de landen van hun vijanden, laat Ik vele volken zien dat Ik heilig ben. Ze zullen beseffen dat Ik, de HEER, hun God ben: Ik heb hen onder vreemde volken in ballingschap gestuurd en Ik breng hen ook weer samen in hun eigen land; Ik zal niemand achterlaten. Ik zal mijn geest over het volk van Israël uitgieten en mijn gelaat niet meer voor hen verbergen – zo spreekt God, de HEER.”’